"Vertederend"
Jonge dieren zijn vaak mooi om te zien. Zeker jonge zoogdieren.
Lammetjes, kalfjes, veulens, geitjes en biggetjes: Ze hebben allemaal een hoog knuffelgehalte. Het schijnt te komen doordat deze jonge dieren relatief grote ogen hebben in een klein gezicht. Dat geeft hen een onschuldige en tedere aanblik. Of dat zo ontstaan is om ze extra te verzorgen en te vertroetelen als ouder zou heel goed kunnen.
Onlangs heb ik het meest vertederende jonge dier gezien, wat ik tot nu toe heb meegemaakt. Het overkwam mij in het egel en vogelopvangcentrum ’t Hemelrijk. Gelegen aan de Oude Winsumerweg tussen Groningen en Adorp waren wij daar op zoek naar egels. Die vonden wij daar ook. Veel ongelukkige en zieke egels vinden daar een tijdelijk onderkomen om te herstellen of weer op krachten te komen. Zowel oudere als ook jonge egels. Die jonge egels zijn ook zeer schattig. Kleine knorrende beestjes met guitige kopjes.
De show werd die dag echter gestolen door twee andere jongen. Ze zaten in een kooitje samen met een marmot. Deze had precies dezelfde kleur als de twee en hield hen gezelschap. Hun donkerzwarte ogen, hun speelse gedrag en hun prachtige pluimstaarten leken mij te betoveren. Een golf van vertedering spoelde door mijn lichaam bij het zien van zoiets moois: Jonge eekhoorntjes.Ik kon mijn ogen haast niet van hen afhouden en wilde ze het liefst mee naar huis nemen. Om te bekijken en mee te spelen. Ik begreep ook direct weer waarom kinderen vaak een huisdier willen en net zo lang zeuren tot hun ouders het verzet daartegen opgeven.
"Boeiend"
Onlangs gezien op dvd: De VPRO serie ‘Dat willen wij ook’
Een beetje kinderlijke titel voor een verder geweldige serie.
In 8 delen krijg je een aantal mooie verhalen voorgeschoteld.
Over gepassioneerde mensen, over gedreven onderzoekers en niet in de laatste plaats over de meest fantastische natuurlijke fenomenen.
Een gekko, die tegen een glasplaats omhoog kan lopen gebruik makend van de Vanderwaalskracht; de sterke tanden van de slak; de vlinder, die in zijn vleugels een kristal heeft wat licht kan vangen en natuurlijk de spin met zijn draad sterker dan staal.
Alle jaloersmakende eigenschappen en middelen, die zeer bruikbaar zouden kunnen zijn voor de mens. Ze steken echter zo ingenieus in elkaar dat ze zelfs met de huidige technische kennis van de mens moeilijk zijn na te maken.
Maar zoals u zult zien, doen de onderzoekers hun uiterste best in korte tijd te imiteren, waar de evolutie miljoenen jaren over heeft gedaan.
Te vinden wellicht op youtube of noorderlicht.vpro
"Dat was even schrikken"
Of met een knipoog naar Jan Mik.
Donderavond 15 oktober fietste ik rond 7 uur op het fietspad naast het damsterdiep aan de rand van Beijum.
Ik kwam daar 2 wandelende dames met drie honden achterop.
Omdat ik niet graag de fietsbel gebruik, ik vind het een opdringerig en irritant geluid, ging ik vlak achter de dames rijden en zei toen op een rustige toon: "Goedenavond dames".
De dame aan de rechterkant sprong in een keer aan de kant:
"Goh, ik schrik me dood", zei ze.
Ik zei: "Sorry, dat was niet mijn bedoeling, ik wil er alleen maar langs".
Daarna bracht een van hen op haar beurt mij flink aan het schrikken met haar opmerking:
"He, dat is Jan Mik!"
(Jan Mik is een collega presentator van RTV Noord, maar voorheen van OOG TV.)
"Chagrijn"
Het is wespentijd.
Niet omdat ze het hele jaar afwezig zijn en nu tevoorschijn komen, maar omdat ze momenteel pas op de voorgrond treden.
Ze zijn namelijk nu op bijna elk terras te vinden. Overal waar zoetigheid is, is de kans groot dat er in deze tijd wespen in de buurt zijn. En ze zijn niet in hun allerbeste stemming.
Tenminste daar lijkt het op: Ze zoemen hardnekkig om je hoofd. Zijn haast niet te verjagen. Gaan in je glas frisdrank, ranja, wijn of bier zitten en reageren geprikkeld op elke benadering.
En hoe vervelend dit ook is, dit gedrag is wel enigszins te begrijpen.
Want stel je voor, je bent werkster in een bijennest. Je hebt je jouw hele leven uitgesloofd. Dag in en dag uit in de weer op zoek naar voedsel voor de larven van de koningin.
En van de een op de andere dag wordt je bedankt voor bewezen diensten.
De larven zijn groot geworden en er hoeft geen eten meer te worden gehaald.Je leven als werkster zit erop. Je wordt als het ware buiten de deur gezet.
Daar loop of liever gezegd daar vlieg je dan als werksterwesp. Zonder doel in het leven wat je nog rest. Ik kan me voorstellen dat je er dan flink de pest in hebt.
En ter compensatie ga je dan op zoek naar lekkere zoete dingen. En zijn er dan anderen dieren die je dat proberen te ontzeggen of je proberen te verjagen dan spuit je ze vol met gif.
Alleen vrouwtjeswespen kunnen steken en in tegenstelling tot bijvoorbeeld bijen, kunnen ze dat ook meerder malen. Dit gif lijkt qua samenstelling op het gif van slangen.Mensen reageren verschillend op deze steken. De een krijgt een klein rood bultje, terwijl een ander er hartkloppingen van kan krijgen of zelfs in shock van kan raken.
Dat sommige mensen dan ook wegrennen wanneer ze in het najaar een chagrijnige wesp tegenkomen kan ik enigszins begrijpen.
"Te Laat"
Veel komt aan op timing.
De clou bij het vertellen van een leuk verhaal of goede grap.
Het moment van slaan of trappen van een pingpong- of andersoortige bal
bij het sporten.
De schijnbeweging van een voetbalspits bij zijn poging een verdediger te passeren.
Het brengen van een politiek voorstel wanneer de geesten er rijp voor zijn.
Het tijdstip van het afdrukken van een fotocamera.
Veel van deze, haast intuïtieve, bezigheden kun je aanleren, hoewel sommigen er meer aanleg voor hebben dan anderen. Door te oefenen kun je als het ware alleen de succesfactor een beetje vergroten. Er zijn echter ook mensen, die het nooit leren.
Maar er zijn ook situaties waarin je gewoonweg veel geluk nodig hebt.
Zo vloog er vanmiddag plotseling een kolibrievlinder in mijn tuin.
Cirkelend om een struik vol met bloemen zag ik dit beestje vanuit mijn raam.
Ik greep als een waanzinnige mijn fototoestel, wisselde snel een lens en rende naar buiten.
Maar de vlinder was gevlogen. Ik was te laat.
Terwijl diezelfde vlinder gewoon bij een collega bij OOG TV in een programma optreedt.
In Beno’s Stad, bij de aflevering over de ambtswoningen van 4 juni van dit jaar, duikt het na precies 4 minuten en 58 seconden op. Zwevend voor een bloem van de kamperfoelie is de vlinder duidelijk herkenbaar aan zijn zwarte streep op het achterlijf.
De cameraman die deze dag filmde, had het geen eens door. Vond het wel een
mooi beeld, zei hij, een insect die de bloem bezocht met het huis op de achtergrond.
(klik hier voor het moment)
Nu is de kolibrievlinder is een zeldzame zomergast. Alleen tijdens warme perioden wil het wel eens opduiken in Nederland. Zelf heb ik dit diertje 1x gezien tijdens een vakantie in Frankrijk. Daar en in andere delen van Zuid Europa komt het insect vaker voor. De vlinder, hoewel het meer lijkt op een grote hommel, is gek op nectar. Om dat te bemachtigen zweeft het, net zoals een kolibrie, stilstaand in de lucht voor een bloem en zuigt dan met zijn lange roltong het zoete vocht uit de bloem.
Maar dat heb ik dus allemaal niet gezien, laat staan kunnen fotograferen.
Te laat zijn heeft echter soms zijn voordelen.
Je mist daardoor vaak de vervelende reclame voor aanvang van een tv programma of film.
En het levert af en toe een mooie foto op.
Dit Icarusblauwtje zat op de bloem van een klaversoort.
Op het moment dat ik een foto nam vloog het op. Met dit als resultaat.
Het anjermotje
Over micro’s en macro’s
Ruim een maand geleden vloog er een klein, roodachtig motje in mijntuin. Nu vliegt er van alles rond in mijn tuin, maar dit beestje trok toch mijn speciale aandacht.
Sinds ik dit jaar namelijk de nachtvlindercursus in Leek volg, onder de inspirerende leiding van de jonge Fries Tymo Muus en zijn pake, let ik meer op de aanwezigheid van nachtvlinders. Zo ook deze.
Nu viel dit motje ook op vanwege de kleur. In de vlucht leek het net een lieveheersbeestje: een lichtrood met vlagen oranje. Hierj hield de overeenkomst met het lieveheersbeestje trouwens ook op. Want het vliegbeeld van dit motje was zeer opmerkelijk: het begaf zich namelijk schoksgewijs door de lucht, bijna onnavolgbaar voor het menselijk oog. Het was praktisch onmogelijk dit diertje te volgen. Ik werd er bijna gek van. Een aantal keren verdween het beestje, terwijl ik mijn ogen erop gefocust had gewoon uit beeld. Razendsnel en onvoorspelbaar. Mijn ogen stonden op het laatst te tollen in mijn hoofd.
Gelukkig ging er eentje even zitten op mijn raam, waardoor ik kon zien dat het inderdaad een motje was met bruinrode vleugels. Tegen een uur of tien was het echter gebeurd met het vliegen. Het beestje was verdwenen, mij achterlatend met de vraag wat het eigenlijk voor iets was.
Diezelfde ochtend, op weg naar mijn dagelijkse kopje troost in het buurtcentrum, zag ik echter dit vlindertje zitten in de ligusterhaag langs de huizen aan de bataviastraat. Natuurlijk ging ik direct terug naar huis, pakte ik mijn fototoestel en nam ik een foto van het vlindertje. Zo’n foto is makkelijk bij het op naam brengen en als je er niet uitkomt kun je deze
altijd aan een expert laten zien. De mot stond niet in het nieuwe nachtvlinderboek van Tirion.
Waarschijnlijk was het daarom een micronachtvlinder. De nachtvlinders worden namelijk vaak in twee groepen opgedeeld: de macro’s, een omvangrijke groep (900 soorten) van wat grotere vlinders. En de micro’s, een nog grotere groep (2500 soorten) van heel veel klein grut. Deze laatste groep staat niet in het boek. Dus bleef de expert over, in dit geval Gerrit Tuinstra, één van de andere cursusleiders in Leek. Nadat ik hem over het beestje verteld had en hem
de foto had toegestuurd, kreeg ik antwoord.
Het was inderdaad een micronachtvlinder, de bladroller Cacoecimorpha pronubana ook wel anjermotje genoemd, familie van de bekende groene eikenbladroller. Een soort die nog niet zolang in Nederland voorkomt, een exoot dus, en in het begin vooral in kassen. Het nachtvlindertje houdt dan ook van snijbloemen of fruitbomen. Het vreemde was echter dat er bij mij geen fruitbomen in de buurt staan, dus moet het beestje een nieuwe waardplant of boom hebben gevonden. Gerrit Tuinstra had dit beestje zelf een aantal keren gezien, echter steeds een enkeling. Bij mij vlogen er eerder tientallen. Het motje doet het dus goed hier.
Tenslotte had hij ooit een rupsje gekregen van een vriend, die deze in een
pruim, gekocht bij de Albert Heijn had gevonden. Hij had deze uitgekweekt en daar kwam tevoorschijn: het anjermotje.
Bij de AH letten ze dus echt op de kleintjes.
Dit verhaal stond eerder in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren in de zomer van 2007.
De kracht van een zebrapin.
Als ik even tijd heb loop ik speurend door mijn kleine tuintje.
Daarbij wordt ik elke keer weer verrast door iets. Iets wat op de circa
Een week of 6 geleden liep ik met mijn fotocamera in de aanslag, je weet het tenslotte maar nooit, rond door de toen nog hoge vegetatie. Het was een mooie namiddag en het zonnetje scheen lekker. Met de gewoonlijke sluipwespen en nectar en stuifmeel verzamelende bijen was het tot dan toe een normale excursie. Wel had ik een paar gigantische knapen van kruisspinnen gezien, die tussen het hoge gras en mijn waslijn prachtige wielwebben hadden gemaakt.
Na 20 seconden, als ik langzaam loop is dat is ongeveer de tijd voordat ik achterin mijn tuin ben beland, stond ik bij mijn schuurtje van 2 bij
Er was echter iets vreemd met dit insect aan de hand. Het leek levenloos, maar toch bewoog het over de deur. Gebruikmakend van mijn macrolens ontdekte ik de oorzaak van dit fenomeen: een spinnetje.
Een zwartwit gestreepte zebraspin (ook wel harlekijnspin) hield in verticale positie op het hout van de deur deze nachtvlinder vast. En gezien het formaat van zowel vlinder als spin was deze zeker driemaal zo groot.
Toch wist deze achtpotige zijn prooi recht tegen de muur op naar boven te slepen.
Wat een manifestatie van kracht en volharding. En wat een kunst hoe zo’n beestje zich zo goed vast kan houden op een verticale ondergrond.
Nu heb ik inmiddels geleerd van een specialiste (dank Eunice) dat er meerdere soorten zebraspinnen bestaan. Ze hebben echter allemaal gemeen dat ze geen web maken en dus echt op jacht moeten om een prooi te vangen en dat ze hun kop kunnen oprichten. Zowel om wat verder dan hun neus te kunnen kijken als bij dreiging. En bovendien dus beresterk, of liever spinnensterk.
Dit korte verhaaltje verscheen eerder in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren in de herfst van 2008
Het krentenboompje
Eind juni is het voor mij altijd krententijd. Nee, niet die gedroogde druivendingen uit een pakje of een zakje, maar de vruchten van het krentenboompje (Amelanchier lamarckii). Gisteren ben ik in Beijum nog even wezen snoepen. Daar vind je namelijk de dikste krenten die ik ooit heb gevonden. Aan het fietspad waarlangs je Beijum binnenkomt staan een aantal struiken vol met krenten zo groot als knikkers.
Vorig jaar bij een avondbezoek aan een goede bekende, waar we zouden spreken
over gewichtige zaken, zag ik ze voor het eerst daar hangen. Ook toen al moest ik even in de remmen, hoewel ik al wat verlaat was, om deze lekkernijen te proeven. We hadden vroeger naast ons huis ook een aantal struiken. Als kind heb ik ervan gegeten totdat ik haast buikpijn ervan kreeg, zo lekker vond ik ze. En nog steeds als ik een krentenboom zie met rijpe vruchten, een krent is overigens pas rijp als hij donker rood ziet met iets van een paarse zweem erover, dan moet ik even stoppen.
Bij het napluizen van de Flora kwam ik nog op een aantal aardige wetenswaardigheden van dit boompje: het Drents of Amerikaans krentenboompje wordt zo genoemd omdat de vrucht soms als vervanger van krenten in gebak werd gebruikt.
Afkomstig uit Noord Amerika waarvandaan de struik als cultuurgewas in de 17e eeuw naar Frankrijk werd gebracht. Vooral in Drenthe veel aangeplant en later verwilderd door heel Nederland. Toch met name verspreid op de pleistocene zandgronden. Bekend om zijn lekkere zoete vruchten en de mooie herfstkleuren van de bladeren in het najaar. Bloeit in het voorjaar met witte bloemen en tegelijkertijd verschijnen de ovaalronde blaadjes van deze struik die in het begin er vrij bruin uitzien.
Dit verhaal werd eerder geplaatst in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren in de herfst van 2006.
De meikever
Vorig jaar op een mooie zonnige dag in mei zat ik even op het bankje, dat in Appèlbergen midden in de zandverstuiving staat te genieten van het heerlijke weer.
Net te voren had ik een meikever bruut in zijn of haar, het verschil tussen mannetjes en vrouwtjeskevers is moeilijk te zien, rust gestoord. Door flink te schudden aan een kleine eikenboom was er één uitgetuimeld. Overdag schijnen deze dieren zich namelijk op te houden in deze bomen, waar ze rusten en bescherming zoeken.
Op het bankje had ik deze eens uitgebreid bekeken, gefotografeerd en daarna weer teruggezet. Overigens werkte deze kever niet echt mee voor een mooie foto, maar dat kon ik me gezien mijn optreden naar het beestje toe ook wel weer voorstellen.
Ik had in het verleden wel vaker over het bestaan van deze dieren gehoord. Ik had echter tot afgelopen jaar deze met name ’s avonds actieve insecten nog nooit eerder gezien. Bij een bezoek aan mijn ouders vond ik echter onder een oude eik een reeds ter ziele gegaan exemplaar. Dat gaf mij mooi de tijd dit dier eens goed te bestuderen. Wat opviel waren de mooie antennes en het lichtbruin geribbelde schild. Tegen de avond zag ik ook een aantal van deze grote kevers vliegen. Nou ja vliegen, ze begaven zich door het luchtruim. Met een hard zoemend geluid zoefden ze voorbij, waarbij het leek dat ze alleen rechtdoor konden vliegen. Misschien dat ze juist daarom zo zoemden. Om aan alle medeluchtgebruikers duidelijk te maken ‘Aan de kant, hier komt een meikever, en die kan alleen rechtdoor’.
Vandaar ook dat ik aan de boom in Appèlbergen had geschud. Ik wilde zien of ook daar deze kevers voorkwamen. Het resultaat kent u inmiddels.
Wat ik mij daar op het bankje wel afvroeg was of het weer beter ging met dit beestje. In het verleden was de meikever zeer talrijk geweest had ik uit de verhalen van mijn vader begrepen. Toch had ik dit insect nog nooit gezien en nu dook het plotseling weer op. Helaas ben ik daar nog steeds niet achter. Waar ik wel achter ben is de reden dat dit diertje in aantal achteruit is gegaan.
De larve van dit beestje, engerling genoemd, leeft maar liefst drie tot vier
jaar (!) onder de grond, waar het leeft van allerlei wortels. Mede om deze reden, het knagen aan wortels van allerlei cultuurgewassen, werd de meikever als zeer schadelijk aangeduid. Daarom werd hij flink bestreden. Ook het vele ploegen van alle gronden, waardoor de larven werden blootgelegd en makkelijk konden worden
opgepikt door de vogels, heeft de achteruitgang bespoedigd.
Op het bankje in Appèlbergen zat ik nog na te genieten van deze ontdekking.
De meikever was weer vrij, de zon scheen en het was aangenaam.
Dit verhaal is eerder verschenen in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in de winter van 2006.
Ogentroost & Liefdegras | Gert Jan Huiskes