Langere verhalen

Het fenomeen heksenboter

 

Mijn eerste paddestoelenexcursie van dit seizoen was in vele opzichten een bijzondere.

Allereerst was de dag waarop het plaats vond, te weten zaterdag 25 augustus, een van de warmste dagen van dit jaar met een temperatuur van ver boven de dertig graden. En zo`n beetje het laatste, waar je bij die hitte aan denkt, zijn (naast het schaatsen misschien) wel paddestoelen.

Toch stonden ze er al volop. Weliswaar worden paddenstoelen normaal gesproken geassocieerd met de herfst, maar midden in juli begint het eigenlijke seizoen al en kan men na een natte periode al vele zwammensoorten vinden. O.a. de parelamaniet, familie van de bekende vliegenzwam, en het eekhoorntjesbrood behoren bij die vroegelingen.

Ook het gebied waar de excursie plaats vond, namelijk in en om Ter Apel, vond ik buitengewoon. Ik was er nog nooit eerder geweest. Dus zag ik voor het eerst dat prachtige oude klooster en merkte ik voor het eerst dat de provincie Groningen niet alleen uit veen en klei bestaat, maar ook ergens, onderin, nog een mooi, schraal zandhoekje bezit.

Wanneer je in die omgeving rondloopt, met al zijn beuken en eiken in het glooiende landschap, heb je geen moment het gevoel dat je in de provincie Groningen bent. Het lijkt eerder of een stukje Hondsrug uit Drenthe is weggesneden en maar zo midden in een vreemd gebied is neergelegd. Het lijkt net Drenthe in het klein.

Ook ongewoon was, wat we die dag aan verschillende paddestoelen aantroffen. Zo vonden we aan de oever van de Ruiten Aa minstens drie soorten stekelzwammen. Deze ontlenen hun naam aan het feit dat ze geen plaatjes of buisjes onder aan de hoed hebben, maar een soort stekels en zijn over het algemeen erg zeldzaam in Nederland, omdat ze van arme (zand-)grond houden. En hier hebben we door de zure regen en de overbemesting steeds minder van. Ook zagen we veel andere leuke zwammen als de cantharel, de rode boleet, de heksenboleet en de kleine en grote stinkzwam.

Maar wat me van die dag het beste is bijgebleven is echter de vondst van heksenboter. Op een drietal plekken vonden we een hoopje van dit gele goed. Misschien is dit wat merkwaardig omschreven, maar het is dan ook een vreemd fenomeen.

 

De naam Heksenboter (fuligo septica)

Vaak worden paddestoelen in verband gebracht met heksen en duivels (en soms ook kabouters). De vaak opvallende kleur, het plotselinge verschijnen in kringen, de soms obscene geur, de rare vormen en het vreemde gedrag zullen er ongetwijfeld aan bij hebben gedragen dat ze vroeger werden geassocieerd met een duistere en onzichtbare sprookjeswereld. Ook voor heksenboter geldt dit, met name vanwege uiterlijk en gedrag.

 

Uiterlijk

Voordat het sporen vormt ziet het er inderdaad uit als een stuk oude roomboter, waarvan het lijkt of iemand het na een picknick achteloos heeft weggegooid. Nadat de sporenvorming is voltooid, is echter ook het uiterlijk veranderd. In plaats van geel is ze dan zwart . En was ze tijdens haar ‘botervorm’ nog zacht, in dit stadium is het goedje inmiddels verhard.

 

Gedrag

Het vreemdst aan heksenboter is dat het beweegt! In een Amerikaans stadje zo las ik ergens,  heeft dit eens geleid tot paniekreacties bij de bevolking die dachten dat dit pulserende spul buitenaards was en onze planeet zou gaan overwoekeren. Niet eens een onbegrijpelijke gedachte, omdat heksenboter zelfs kan ‘lopen’!! Het kan zich over een kleine afstand verplaatsen doordat het zich op een bepaalde manier uitstrekt en daarna weer samenvoegt.

 

Familie

Ons ‘lopende wonder’ behoort ook tot een vreemde familie, die der slijmzwammen of myxophyta, die samen een afdeling vormen van de fungi, de schimmels. Vreemd omdat ze  eigenlijk niet bij deze thuis horen. Maar ook niet bij de planten of dieren. Het is een levensvorm die onplaatsbaar lijkt vanwege haar eigenzinnige levenscyclus en  unieke eigenschappen. Zo gedraagt het zich bijvoorbeeld soms als een amoebe, een eencellige. In haar ‘botervorm’, zoals wij haar het makkelijkst herkennen, bezit het geen celwand en vormt het één grote veelkernige protoplasma-massa (cel), die bestaat uit meerdere, samengesmolten exemplaren! En dit is pas één van de minimaal tien verschillende levensvormen, met elk hun eigenaardigheden, die deze familie zo bijzonder maakt.

 

Voedsel

Slijmzwammen zijn saprofyten. Dit houdt in dat ze wat voedsel betreft zijn aangewezen op dood of levend organisch materiaal. Bij heksenboter bestaat dit uit kleine bacteriën, gistcellen en dergelijke, die het tijdens haar wandeling bemachtigt en verorbert.

Met recht kan heksenboter een fenomeen worden genoemd. Het is geen plant, geen dier, en ook geen schimmel, al lijkt het daar nog het meest op. En mocht u ooit een bioloog een moeilijke vraag willen stellen dan is deze levensvorm daar zeer geschikt voor.

 

Voor het eerst verschenen in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in de herfst van 2001.

 

 

Bloedzuigers, ter kwelling der mensheid

 

Er zijn een aantal diersoorten,  waaraan zelfs ik als rechtgeaard natuurliefhebber een grondige hekel heb. Wanneer ik aan deze schepsels denk, gaan steevast mijn haren recht overeind staan.. Nu bijvoorbeeld de zomer weer aanstaande is en de temperatuur op begint te lopen zullen er naast mij vast wel meer personen zijn die `s nachts hun oren extra de kost geven. Gespitst op dat hoge zoemende geluidje van die beruchte muggen. Die muggen, die alleen door hun geluid al je bij wijze van spreken het bloed onder de nagels vandaan halen. Die muggen die zo vervelend zijn dat ik het haast jammer vindt dat DDT ooit verboden is. Die muggen die mij voor het raadsel plaatsen waarom zij überhaupt bestaan, behalve om ons mensheid te kwellen, te steken en als voedsel te dienen voor vogels en vleermuizen. Die muggen, die eigenlijk geen muggen zijn maar muskieten, familie dus van datzelfde insect, dat de malaria verspreid. Nog een extra reden om deze diersoort niet te mogen. 

 

Film

Een eerste kennismaking met een ander even irritant dier was bij het zien van een, overigens prachtige, zwartwit film. Ik kan mij de beelden nog levendig voor de geest halen:

Een vrouw, gespeeld door Elizabeth Taylor, Grace Kelly of een andere ster uit die tijd, zit met parasol op een bankje in een sloep of boot met de naam “Queen Elizabeth 2”. Het handdoekje om de zweetdruppels te deppen op haar schoot en de waaier in haar hand.

Voorin zit de man, gespeeld door een Gary Grant-achtig type, worstelend met de peddels en wanneer dat niet meer gaat, zwoegend door het water met de mouwen van het shirt en de broekspijpen opgerold, trekkend aan de boot om deze vooruit te krijgen door de schijnbaar ondoordringbare wirwar aan planten en struiken van een tropische rivier. Even later, na het ergste te hebben gehad en klimt de man weer aan boord. Hierop zet de dame in kwestie het op een gillen: Op de benen van de man bevinden zich een aantal bloedzuigers ter grootte van volwassen kikkers. Met een grimas op zijn gezicht en verbeten van de pijn trekt de man deze enorme bloedzuigers stuk voor stuk moeizaam van zijn lichaam om ze daarna met afgrijzen van zich af te gooien.

 

Hoe het verhaal daarna verder ging is mij niet bijgebleven. Maar dat dit fragment mij nog helder voor de geest staat en veel indruk heeft gemaakt mag duidelijk zijn. Sterker nog, als jongen van een jaar of twaalf ga je daarna met veel minder zin pootje baden, laat staan zwemmen. Die bloedzuigers hebben het dan voorgoed bij je verbruid.

Ook toen ik lang daarna als muskusrattenvanger af en toe op het lijk van een muskusrat iets zag kruipen wat ik in verband bracht met bloedzuigers was ik nooit blij.

Nu hoopt u natuurlijk dat ik nu een verhaaltje schrijf dat het allemaal wel meevalt met deze dieren. Dat ze niet zo groot zijn of worden als kikkers en dat ze eigenlijk helemaal niet verzot zijn op mensenbloed. En dat is (ten dele) ook zo.

Ik zal u namelijk ook vertellen van mijn derde kennismaking met deze dieren.

Dit was tijdens de Natuurgidsencursus die ik heb gevolgd in Leek. Wij als cursisten moesten op een gegeven moment met een schepnetje kijken wat er allemaal leefde in een sloot. Nadien, onder de microscoop, zagen wij ook een bloedzuiger. Nu was dit beestje ook met het blote oog wel te zien maar, ter geruststelling, niet groter dan een centimeter of drie en niet breder dan een flinke breinaald. Het leuke aan dit diertje was zijn defensieve gedrag. Op het moment dat het zich bedreigt voelde rolde het zich op, net als egels dat ook doen bij gevaar. Vandaar ook dat sommige soorten geen bloedzuiger maar bloedegel worden genoemd.

 

Beschrijving

Er komen in Nederland rond de 25 zoetwaterbloedzuigers voor. In het Latijn heten zij  Hirudinea, een klasse der stam der ringwormen of Annelida waartoe ook onze regenworm gerekend mag worden. Allen behorend bij de ongewervelde dieren.

Zij  leven in allerlei soorten wateren behalve in snel stromend en in veenachtig, zuur water. Ook dieper dan een halve meter diep zal men zelden een bloedzuiger aantreffen.

Hun schuilplaats zoeken ze onder stenen of tussen bladeren van waterplanten en `s winters graven zij zich net zoals kikkers in de modder in om daar vorstvrij de winter door te kunnen komen. Bloedzuigers zijn vanwege hun goed ontwikkelde spieren uitermate beweeglijk. Enkele soorten zijn ook nog uitstekende zwemmers. Hierbij kronkelen ze als een slang door het water. Herkenning van de verschillende soorten geschiedt vaak door het tellen van het aantal ogen op de kop. Bij praktisch elke bloedzuiger is dit weer anders. Met het blote oog is dit echter erg moeilijk te zien. De ademhaling geschiedt door de huid.

 

Voeding

Dit beestje neemt alleen dierlijke stoffen als voedsel tot zich. Het mag zich dus met recht een carnivoor noemen. Sommige gedragen zich hierbij als echte roofdieren en voeden zich met kleine dieren of met delen ervan. De rest zuigt als parasiet bloed uit hun tijdelijke slachtoffer. Tot veler opluchting, en niet in de laatste plaats die van mij, meestal van koudbloedige (pfff) gewervelde dieren (dus bijvoorbeeld kikkers). Voor het verteren van al dit bloed bezitten deze dracula’s van het waterleven speciaal aangepaste darmen. Deze bevat talrijke zogenaamde ‘blinde zakken’ waarin het bloed met behulp van speciale micro-organismen wordt geconserveerd. Hierdoor kunnen bloedzuigers na een goed maal soms wel een jaar lang zonder voedsel.

 

Voortplanting en Medicinale toepassing

Bloedzuigers zijn tweeslachtig (evenals slakken) oftewel hermafrodiet. Bevruchting kan zowel wederkerig als eenzijdig plaatsvinden. De eieren zijn gehuld in een cocon, waarbinnen zij zich kunnen ontwikkelen tot jonge exemplaren. Soms vindt broedverzorging plaats, of door de eieren te bewaken en te verzorgen of door zowel de eieren als de jongen nog lange tijd mee te dragen, waarbij de jongen zich met hun zuignappen vasthouden aan hun ouder.

Tenslotte de vraag hoe nu de echte bloedzuigers het levenssap uit hun slachtoffers zuigen.

Allereerst bezitten ze zuignappen aan beide uiteinden van hun lichaam om zich mee vast te klampen aan hun onvrijwillige gastheer. Wanneer dit gebeurt is gaat de mond in het midden van de voorste zuiger open en wordt met een flinke beet de kraan open gezet. Net als bij de mug bezit de bloedzuiger antistollingsmiddelen, die ervoor zorgen dat het bloed ook blijft stromen. De medicinale bloedzuiger, ook wel Hirudo medicinalis, werd in vroeger tijden gebruikt als instrument tot aderlating, vandaar ook zijn naam. Men liet deze soort op een zieke zijn gang gaan en dacht dat deze wijze van bloed aftappen de patiënt goed zou doen. Gelukkig zijn er tegenwoordig weinig doktoren meer die dit nog een goede praktijk vinden. Of dit is omdat de wetenschap inmiddels verder is voortgeschreden of omdat de meeste aanhangers van deze methode zijn vermoord door boze familieleden van overleden patiënten zal wel altijd ook een vraag blijven.

 

Graadpleegde literatuur;

Thieme’s:           Venen, plassen en poelen (W. Engelhardt).

Gabb, Chinery:   Het Leven der Ongewervelde Dieren

 

Voor het eerst verschenen in de groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in het voorjaar van 2003.

 

 

De grote stinkzwam

 

Zoals wij allemaal op school geleerd hebben, bezit de mens vijf zintuigen. Hiermee kunnen wij horen, zien, ruiken, proeven en voelen. Ook de natuur kan hiermee ten volle worden ervaren. Toch komen de meeste natuurliefhebbers echter maar tot het gebruik van twee of drie van deze menselijke talenten.

Het zicht is daar natuurlijk één van. Vogels, bloemen en vlinders worden vaak goed bekeken en na bestudering met behulp van een mooi plaatjesboek op naam gebracht:

“Oh, wat vliegt daar een mooie atalanta!”

Ook het gehoor wordt gelukkig door menig natuurstruiner, met name de vogelaar, van grote waarde geacht. Want zitten onze ogen nog aan één kant van ons hoofd waardoor ons blikveld altijd beperkt is, onze oren staan daarentegen aan de zijkanten van ons hoofd. Hierdoor zijn we in staat het geluid van alle kanten op te vangen. En zonder nu diep te willen ingaan op de evolutionaire oorzaken van dit fenomeen, dit heeft als voordeel dat wanneer je als vogelaar met je verrekijker in de verte zit te staren, je toch je omgeving van alle kanten kunt ‘waarnemen’. Elk piepje of twietje kan namelijk een mooie nieuwe soort betekenen:

“He, hoor ik daar niet een grauwe fitis?”

Maar het gebruik van de andere drie ? Dit laat zeer te wensen over.

Nou vooruit dan, het ruiken wordt nog wel eens door een romantische bloemenliefhebber beoefend of door de verdwaalde wandelaar die in het najaar even een frisse neus gaat halen in het bos, wat dan zo lekker ‘naar de herfst’ ruikt. Maar vaak ? Ik dacht het niet.

Om van het proeven en het voelen maar helemaal niet te spreken. En dit is zonde. Nu wil ik u geen schuldbesef aanpraten, maar waarom zou je deze prachtige zintuigen, die we nu toch eenmaal hebben, ook niet gebruiken ?

 

Bekende geur

Eind mei, begin juni 2004 na een prachtige vakantie op het Zweedse eiland Öland, mocht ik een week op het huis van mijn ouders passen in het Drentse Zuidwolde. Bij de dagelijkse wandeling met de hond werd plotseling mijn neus verrast door een onaangename doch bekende geur. Meteen schoot het door mijn hoofd: de grote stinkzwam.

En jawel, in grote getale stonden ze er al. Normaal gesproken zijn ze al een van de eerste paddestoelen van het seizoen, maar deze exemplaren waren er wel heel vroeg bij. En omdat het nog zo vroeg in het jaar was, waren er nog niet veel insecten en in het bijzonder vleesvliegen. Gewoonlijk eten deze vliegen, aangetrokken door de aasgeur van deze stinkerd, van de groene derrie van de kop van deze paddenstoel. Maar nu was de donkergroene laag, die op de kop van de zwam zit, dezelfde laag die ook zorgt voor de immense stank en waar de vleesvliegen zo verzot op zijn, nog geheel intact.

 

Schaamteloos

Deze opvallende verschijning in het paddenstoelenrijk dankt zijn Nederlandse naam weliswaar aan deze kenmerkende geur maar is eigenlijk veel beruchter vanwege zijn Latijnse naam: fallus impudicus, wat vertaald betekent: de schaamteloze penis.

De grote stinkzwam is namelijk vanwege zijn uiterlijk de schaamteloze der schaamtelozen, omdat hij in volgroeide staat een sterke gelijkenis kent met de mannelijke fallus in opgewonden toestand. Dat hij in het verleden in het calvinistische en preutse Nederland niet naar deze eigenschap is vernoemd bevreemd dan ook niet.

De steel van de stinkzwam bestaat uit langgerekte cellen van een stevig maar bros materiaal. Bij vochtig weer worden deze cellen vrij snel slap en valt de paddenstoel gemakkelijk om.

Ik heb wel eens een aantal van deze gevelde exemplaren bij elkaar zijn liggen en vond dit een bijzonder triest gezicht. Net een slagveld. Net of er een feministische actiegroep korte metten had gemaakt met deze in hun ogen gehate mannelijke symbolen.

 

Levensloop

De paddestoel is eigenlijk de vrucht van een van organisch afval levende schimmel. Op deze vrucht vormen zich de sporen waarmee de schimmel zich voortplant. Bij de stinkzwam zitten deze sporen in de groene derrie, die door vliegen wordt verspreid. Deze sporen ontwikkelen zich bij de juiste condities tot een nieuwe schimmel en bij gunstige omstandigheden produceert deze weer een vrucht. Deze vruchten noemen wij gewoonlijk de paddenstoel.

Voordat de grote stinkzwam tot wasdom is gekomen begint het als een soort ei.

Dit ei kan in zeer korte tijd uitgroeien tot een ‘volwassen’ exemplaar. Daarbij komt dat het ei een glibberige en slijmerige indruk maakt. Al deze duistere en enge eigenschappen hebben voor de niet vleiende bijnaam ‘duivelsei’ gezorgd.

Alsof de reputatie van de stinkzwam toch al niet te wensen over liet.

 

Dit verhaal verscheen eerder in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in de zomer van 2005.

 

 

 

Ik zie, ik zie en de kleur is ……Groen.

 

Het mooiste natuurmoment tot zover heb ik dit jaar beleefd in het Bargerveense. Ik was daar verzeild geraakt omdat in het nabijgelegen Klazienaveen, op en na Hemelvaartsdag een groot pingpongtoernooi werd georganiseerd. Als verwoed tafeltennisser van GTTC, een club met een groen clubshirt, deed ik daar natuurlijk aan mee. Vaak begonnen de wedstrijden echter pas in de loop van de middag, waardoor ik `s ochtends tijd had om andere dingen te doen.

Een uitgelezen kans dus om gewapend met mijn verrekijker en mijn fototoestel het prachtige  hoogveennatuurgebied, het Bargerveen te bezoeken.

En zoals vaker te lezen viel in de Groeningen: Dit is een fantastisch gebied. Met prachtige planten als Veenpluis, Zonnedauw en Welriekende Nachtorchis en met bijzondere vogels als de Roodborsttapuit, Boomvalk en Grauwe Klauwier.

En met mooie vlinders. Naast het bijzondere Veenhooibeestje en de in Nederland zeer zeldzame Aardbeivlinder, komt daar onder andere ook het Groentje voor. Nu is dit beestje niet extreem zeldzaam, maar ook weer niet algemeen. En toen ik het diertje zag zitten op het zandpad dat dwars door het Bargerveen loopt, was dit pas de derde of vierde keer dat ik een Groentje van dichtbij zag.

 

Opwarmen

Zoals vermeld was ik daar `s ochtends en zal de ontmoeting met dit vlindertje rond een uur of tien hebben plaatsgevonden. Met de zon inmiddels op kracht aan een strakblauwe lucht was dit het moment waarop veel vlinders zich warmden aan de zon. Dat deden ze bij voorkeur op het zandpad. Het witte zand van het pad weerkaatst namelijk deels het zonlicht en de warmte, zodat niet alleen de bovenkant maar ook de onderkant van de vlindervleugels wordt verwarmd. De meeste vlinders houden hierbij hun vleugels gespreid. Een enkele vlinder, waaronder het Groentje, houdt de vleugels, behalve bij het vliegen, altijd gesloten.

Zelfs tijdens het zonnen, waarbij zij dus met één van haar zijkanten naar de zon zit om op te warmen. Net als vele andere insecten warmen ook vlinders zich op, omdat ze pas bij een minimale lichaamstemperatuur van 18 ºC goed kunnen functioneren en niet in staat zijn deze temperatuur op eigen kracht te bereiken. De zon helpt hen dus hun handje deze temperatuur na een koele nacht zo snel mogelijk te halen.

 

Tijgeren

Toen ik het Groentje daar dus op het pad zag zitten wilde ik het natuurlijk graag van dichtbij op dia, ik had mijn fototoestel tenslotte niet voor niets meegenomen. Mijn eerste poging mislukte echter. Ik was nog op meer dan drie meter afstand toen het al opvloog. Gelukkig zag ik waar het daarna ging zitten. Ditmaal nam ik geen risico’s. Tijgerend door het zand vanaf een meter of 15 probeerde ik het Groentje langzaam te naderen. Meter voor meter kroop ik vooruit, steeds dichterbij. Mijn broek en shirt inmiddels compleet onder het zand. Mijn hartslag versnelde toen ik op minder dan 1 meter van haar vandaan was, maar gelukkig had ik de rust om mijn bewegingen heel geleidelijk te laten verlopen. Op het laatst was ik het vlindertje, ze wordt niet groter dan 1,5 cm (!!), tot op zo`n 25 centimeter genaderd. En hoe dichter ik dit vlindertje naderde hoe meer ik onder de indruk raakte van haar schoonheid.

 

Uiterlijk

Pas van zo dichtbij kon ik dit diertje in al haar pracht waarnemen. Het groen van de buitenkant van haar vleugels, waaraan ze ook haar naam dankt, is erg mooi en heeft ook iets klassieks. Alle andere kleuren groen verbleken als het ware bij deze. Begrijpelijk dat ze altijd deze kant van haar laat zien in plaats van de veel saaiere, bruine binnenkant van haar vleugels. Verder worden haar vleugels ‘versierd’ met een bruinwitte rand en een aantal witte vlekjes. Bij het mannetje maken deze vlekken een lijn, bij de vrouwtjes is dit onderbroken.

Maar niet alleen haar vleugels waren prachtig, ook haar poten, antennes en haar kopje waren mooi. Alle in een zwart-wit combinatie (het begint nu warempel echt op een presentatie van een modeshow te lijken…). De poten en antennes zwart-wit gestreept/gevlekt en in het kopje de grote zwarte facetogen omgeven door een witte lijn, waardoor het Groentje een nobele, en haast reeachtige indruk maakt.

 

Biotoop en waardplant

Wie het Bargerveen verder een beetje kent, kent ook de biotoop van deze vlinder. Behalve naaldbossen zijn er in dit gebied alle biotopen te vinden waarin ze zich thuis voelt. Natuurlijke en halfnatuurlijk graslanden, heiden en grensvegetaties met struwelen. En dan met name in een combinatie van dezen: struwelen aan de randen van heiden en schrale graslanden. Even belangrijk zijn echter de planten waar ze haar eitjes op legt en waar de rupsen van het Groentje van eten, de zogenaamde waardplanten. De voornaamste hiervan zijn brem, braam, hulst, bosbes, vossebes, dopheide en struikheide.

 

Bijzonderheden

Het Groentje overwintert als pop, het overgangsstadium waarbij de vlinder de metamorfose  van rups naar vlinder ondergaat. Vlinders behoren tot de groep der insecten die een volledige gedaanteverwisseling ondergaan. Uit het ei komt een rups, die tijdens zijn groeiperiode een keer of vier vervelt, daarna vervelt tot pop, waaruit tenslotte het volwassen insect te voorschijn komt.

Gelukkig is ook aan het Groentje niets menselijks vreemd. De mannetjes van deze soort zitten namelijk vaak in een groep bijeen met name in struiken van sporkehout. Ze worden getypeerd als overwegend samenscholend. Nu wil ik de vergelijking van een oude vrijgezellenbar niet maken maar deze ligt wel voor de hand. Even verder lezend in de Ecologische Atlas vinden we: Het gedragstype dat hier bedoeld wordt is het zich verzamelen van mannetjes op een landschappelijk markant punt…..

En wat is het markantste punt van Groningen: de Grote Markt. En wat staan daar: allemaal kroegen. En wat doen de vrouwtjes (nogmaals een citaat): Het gedrag van de vrouwtjes wordt gekenmerkt door het opzoeken van deze samenscholingsplekken.

Soms is het leven erg eenvoudig.

 

Geraadpleegde literatuur:

KNNV           Veldgids Dagvlinders  

F.A. Bink        Ecologische Atlas van de Dagvlinders van Noordwest-Europa

 

Dit verhaal is voor het eerst gepubliceerd in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in de zomer van 2003. 

 

 

 

De schaatsenrijder

 

Achter de rug van een oud-buurman van mijn ouders heb ik het schaatsen geleerd. Deze man was behalve boer een fervent tochtenrijder, zoals boeren dat wel vaker zijn. Zodra het vroor en het ijs betrouwbaar genoeg was liet hij zijn koeien en zijn boerderij in de steek en toog hij, vaak met zijn twee zonen in zijn kielzog richting Giethoorn en omstreken waar meestal meerdere toertochten werden georganiseerd door de plaatselijke ijsverenigingen. Als er plaats was in de auto en ik vakantie had mocht ik met hem mee naar deze schaatstochten om in de luwte van zijn postuur het lange afstand schaatsen onder de knie te krijgen.

In het begin krabbelend en zwoegend door mijn gebrekkige schaatstechniek maar jaren later zwierend over het ijs heb ik menige kilometer afgelegd in dat prachtige gebied van de Beulakerwiede en de Weerribben, met de handen op de rug en de muts ver over de oren.

Zeker als het weer en het ijs meezat was het een genot om daar te rijden. Een mooie geveegde baan met daaronder blinkend zwart ijs, een helder blauwe lucht met een heerlijk stralende zon, en dat temidden van een sprookjesachtig, besneeuwd landschap.

 

Roofwants

Toen ik afgelopen zomer in het kader van onderzoek voor de natuurgidsencursus met een waadpak tot aan mijn middel in een sloot stond zag ik daar ook een aantal schaatsenrijders.

Natuurlijk had ik deze soort roofwantsen, die zich bliksemssnel over het water begeven, wel eens eerder gezien, maar ditmaal stond ik er met de neus bovenop. En plotsklaps vroeg ik mezelf ook af of deze hardlopers van het wateroppervlak ook zouden kunnen genieten van ‘het schaatsen’, net zoals ik vroeger en waarvan hierboven een impressie staat.

Los van de zinnigheid van deze vraag, kwam ik tot de volgende conclusie: Het is mogelijk, maar niet waarschijnlijk. En wel om de volgende reden.

Stel dat de ‘gerris lacustris’ het vermogen bezit te genieten, toch ziet de wereld er voor dit 1 a 2 cm grote diertje totaal anders uit dan voor ons. Wij hoeven namelijk tijdens het schaatsen niet te vrezen dat wij door een vogel of een vis plotseling van het ijs worden geplukt, waardoor er voor ons tijd is en rust om te genieten van een mooie schaatsdag. Onze wants heeft dat niet, hij moet telkens alert zijn op gevaar anders wordt hij gegrepen. Tijd of ruimte voor het uitvoeren van een pleziertochtje bezit hij daardoor niet.

 

Kenmerken/uiterlijk

De schaatsenrijder behoort tot de familie der Gerridae in de orde der Wantsen (Heteroptera) in het rijk der insecten. Van deze familie van water- of oppervlaktewantsen komen in onze streken zo’n 10 sterk op elkaar gelijkende soorten voor. Bij allen zijn de voorpoten, waarmee ze hun prooi of aas vastgrijpen, een stuk korter dan het middelste en achterste paar, die ze respectievelijk gebruiken als voortstuwing en als roer en die kruisgewijs op het water staan. De snelheid waarmee ze zich over het water verplaatsen is vrij groot. Zo kunnen ze met één ‘slag’ van de middelste poten al gauw 1 meter overbruggen ! Verder hebben ze een korte kop, dunne antennen en een nogal gedrongen, spoelvormig lijf. Kleur: onopvallend.  

 

Levenswijze/Voedsel

Onze roofwants kan op het water lopen vanwege de waterafstotendheid van een dichte laag haren op de poten en de buik. Deze worden ‘ingevet’ door klieren die bij zijn mondhoeken zitten.

De schaatsenrijder is een predator en aaseter. Met zijn korte voorpoten vangt hij trillingen op van het wateroppervlak en kan zo ‘weten’ of ergens een ander insect in het water is gevallen. Dit is zijn hoofdvoedsel: de prooi wordt gegrepen met de voorpoten en daarna met zijn speciale, scherpe monddelen (rostrum)leeg gezogen.

 

Voortplanting

De schaatsenrijder kent twee generaties per jaar, waarvan de eerste volwassen is in juli en nauwelijks vleugels heeft en de tweede in september. De imago’s van deze tweede generatie overwinteren en komen bij mooi weer soms in januari al weer te voorschijn. Deze generatie heeft wel volgroeide vleugels.

Net zoals alle ander wantsen maken ook schaatsenrijders een onvolledige gedaantewisseling door. Dat wil zeggen dat ze in plaats van een snelle ontwikkeling van ei, larve tot volwassen exemplaar, een veel geleidelijker metamorfose kennen. Via het ei ontwikkelt zich een zogenaamde nimf. Deze gaat in een langzaam tempo via een aantal vervellingen steeds meer lijken op het volwassen individu. Ook libellen en sprinkhanen kennen een onvolledige gedaantewisseling.

 

Dit verhaal verscheen eerder in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in het voorjaar van 2002.

 

 

 

De ontdekking van zandbijen

 

Wanneer ik in het verleden aan bijen dacht, dacht ik altijd aan de bekende honingbijen. Vlijtige beestjes, die nectar verzamelen en als een groot volk bijeen zitten in een nest. Verdeeld in gespecialiseerde beroepen doen zij allen hun werk. De werkster voedt en verzorgt, de weinige mannetjes (darren) dienen ter voortplanting en bevruchting van de toekomstige koninginnen. De honingbij is bij uitstek een sociaal dier. Het individu is namelijk onbelangrijk. Alleen het overleven van de gemeenschap, het nest en dus de koningin is belangrijk. Alle levens van de anderen staan in dit teken. Het idee van de socialistische heilstaat moet haast wel zijn afgekeken van deze onbaatzuchtige diertjes.

Toch zijn er meer bijensoorten. Zo bestaan er 7 onderfamilies en 375 soorten bijen in Nederland en België (zo!) en deze hebben soms een totaal andere invulling van hun leven.

 

Maartse ontdekking

Zo zat ik op een zonnige dag in maart op het bankje op de ‘grote’ zandverstuiving in Appèlbergen. Ik keek om mij heen naar de mensen, hun kinderen en hun uitgelaten honden en zag plots in mijn ooghoeken iets opvallends. Vlak boven de grond op de grens van het zand met het gras was het een drukte van belang. Er zweefden en vlogen allerlei donkere insecten boven de vele kleine gaatjes, die aldaar in de grond zaten. Vanwege hun donkere uiterlijk moest ik meteen denken aan een soort maartse vliegen, want daar leek het in eerste gezicht om te gaan. Nadat ik mijn neus op het zand had gedrukt zag ik dat het in ieder geval geen vliegen waren. Het waren insecten met een zwart achterlichaam (abdomen), een zwart borststuk (thorax) en grote zwarte samengestelde ogen. Ze leken wel iets op bijen of wespen. Het meest opvallende was echter de beharing van deze beestjes: met name hun borststuk was bezet met vele witte haartjes, waardoor ze er echt poezig uitzagen. Net vliegende zwart-witte teddybeertjes.

 

Knuffelbeesten

Tja, wat waren dit nu weer. In tweede instantie dacht ik aan graafwespen, doch thuis gekomen en na naspeuring in de boeken bleek het een zandbij te zijn. En wel in het bijzonder de grijze zandbij (andrena vaga). Dit prachtige bijtje heeft dus het uiterlijk van een knuffelbeest, hoewel de mannetjes vervaarlijk uitziende kaken bezitten.

De grijze zandbij is weliswaar een solitaire bij, toch nestelt zij graag in groepen. Elk vrouwtje verzorgt echter haar eigen nest met haar eigen nakomelingen. Wat de mannetjes doen wordt overigens niet vermeld. Zal wel niet veel bijzonders zijn, hoor ik de meeste vrouwelijke lezeressen al zeggen, een beetje de hele dag in een bloem liggen, wat nectar en stuifmeel eten en fluiten naar voorbijvliegende en hard werkende vrouwtjes. Het nest bestaat uit een gang, die wel een halve meter diep kan zijn. Daar worden de eitjes in broedkamers gelegd samen met een mengsel van nectar en stuifmeel. Bijzonder is dat de grijze zandbij uitsluitend leeft van het stuifmeel en de nectar van de wilg. Binnen een paar maanden zijn de jonge larven al volgroeid en verpopt.

Toch verschijnen het volgende voorjaar pas nieuwe bijtjes, omdat de

jonge bijtjes in de cocon wachten tot de winter voorbij is. Is het voorjaar aangebroken dan komen de nieuwe bijtjes te voorschijn, zoeken de vrouwtjes een partner, paren en gaan daarna weer vlijtig bezig met het bouwen van een nest. Van de zandbijen bestaan ongeveer 90 soorten in de Benelux

 

Vijanden

De grijze zandbij kent nogal wat vijanden. Een groot aantal insecten, waar onder de gewone wolzwever, de gewone oliekever, een soort blaaskopvlieg en de gewone graafbijendoder.

Ook een aantal koekoeksbijen, zoals de roodharige wespbij, de gewone wespbij en de heidwespbij hebben het allemaal op onze teddybeerzandbij voorzien. De tactiek van al deze parasitaire vijanden is hetzelfde. Ze leggen hun eigen eitjes bij de eitjes in het nest van de grijze zandbij. Hun larves eten daarop eerst de voedselvoorraad van nectar en stuifmeel

op en beginnen daarna aan de larve van ons bijtje. Wat een rotzakken! Gelukkig is de grijze zandbij nog vrij algemeen op pleistocene zand en leemgronden.

Te zien in Appèlbergen aan de rand van de grote verstuiving op een mooie dag in maart.

 

Geraadpleegde bronnen:

Tirion Nieuwe Insectengids

ETI Insecten van Europa (cd rom)

 

Dit verhaal stond eerder in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in het voorjaar van 2006.

 

 

De Bunzing en het sterrenschot

 

Het afgelopen jaar kwam ik meerdere keren in aanraking met een nogal ongewoon dierkenteken, het zogenaamde sterrenschot. Dit propvormige braaksel, dat er uitziet als opgedroogde, doorzichtige lijm en glibberig aanvoelt werd door een collega van mij, die het in het veld had gevonden  meegenomen en aan mij getoond. Ik zelf had het nog nooit eerder gezien of er zelfs maar van gehoord !

Volgens diezelfde collega produceert een bunzing dit braaksel. Dit zou hij doen omdat hij wel eens kikkerdril eet, maar dit niet kan verteren. Een andere verklaring die ik hoorde, is dat de bunzing niet zozeer kikkerdril eet, maar dat de eileiders van gegeten kikkers voor hem onverteerbaar zijn.

Twee verklaringen voor één verschijnsel met een hoofdrol voor kikkers en een bunzing, dat was in ieder geval duidelijk. Dus ging ik op zoek naar meer informatie in de hoop het juiste antwoord te vinden.

De bunzing, mustela putorius, behoort samen met zijn kleinere neefjes, de hermelijn en de wezel,  tot de familie der marterachtigen. Hij leeft het grootste deel van het jaar alleen (solitair), en is bij uitstek een nachtdier. Daarom wordt hij dan ook niet vaak waargenomen.

 

Uiterlijk

Het mannetje, de ram, is beduidend groter dan het vrouwtje, de moer. Een volwassen ram meet ongeveer 60 cm

inclusief  een 15 cm lange staart, en weegt dan zo’n 1,4 kg. Een volwassen moer haalt nauwelijks 1 kg.

In tegenstelling tot de hermelijn en wezel krijgt de bunzing in de winter geen witte vacht. Zijn vacht wordt zelfs donkerder, doordat s’winters niet alleen de gelige ondervacht of onderwol dikker wordt, maar ook de lange zwartbruine dekharen.

Het opvallendst aan zijn uiterlijk is natuurlijk zijn gezichtsmasker. Hierbij lijkt  het alsof de bunzing een zwarte doek over zijn ogen draagt. Dit effect ontstaat door een witte voorhoofdsstreep (soms alleen zichtbaar als wenkbrauwstreepjes) en de witte snuit rond zijn zwarte neus. Voeg hierbij nog de witte randen rond zijn oren en het mag dan duidelijk zijn dat de bunzing een typisch, eigen gezicht heeft.

 

Voedsel en jacht

De bunzing is geen goede klimmer of zwemmer, maar voor de rest wel een snelle en lenige jager. Op het menu van hem staan:  ratten, muizen en mollen, kikkers en andere amfibieën, konijnen, jonge hazen, vogels,  eieren ,  insecten en soms zelfs slangen. Kortom hij is niet kieskeurig wat prooidieren aangaat, zolang het maar vlees is. (Een van de vier geraadpleegde boekwerken noemt overigens ook vruchten als voedsel voor de bunzing. In wat voor mate dit het geval is, is mij niet bekend). 

Een bijzondere manier van bewaren van zijn eten , wat ook voorkomt bij andere marterachtigen, is dat d.m.v. een beet in de nek een prooidier niet wordt gedood, maar verlamd raakt. Het voordeel hiervan is dat de prooi niet sterft en daarmee verrot, maar in leven blijft en daarmee een vers stukje voedsel vormt, wat  niet wegloopt !

Dit komt het vaakst voor bij kikkers.

Verder jaagt de bunzing  voornamelijk op zijn reukvermogen en minder op het gezicht.

 

Voortplanting

Tijdens de rans- of roltijd , in februari /maart  probeert de ram een moer te veroveren. Wanneer door veel ren- en gromwerk dit gelukt is, vindt de copulatie plaats. Na zes weken, dus meestal in mei, worden 3 tot 7 blinde jongen geboren. Na een week of drie gaan hun ogen open en krijgen ze geleidelijk de koptekening van de volwassen dieren.

De opvoeding wordt in z’n geheel verzorgt door het vrouwtje. Het mannetje neemt hier part noch deel aan . 

Aan het einde van het jaar zijn de jongen zelfstandig, na één jaar volwassen en aan het eind van hun tweede levensjaar geslachtsrijp.

 

Leefomgeving en verspreiding

Qua biotoop is onze bunzing niet al te kieskeurig. Hij komt voor in allerlei soorten milieus. Van een open weidelandschap tot een bosgebied, mits een nestgelegenheid aanwezig is en ruigtes voor dekking van waaruit hij kan jagen. Wel is de bunzing een liefhebber van rommel en ruige waterkanten. Hij houdt zich bijvoorbeeld graag op rond boerderijen waar het niet al te netjes is. Waar hij in een oude schuur, onder een hoop hout, hooi of in een holle boom zijn nest kan maken, van waaruit hij `snachts op jacht kan gaan langs de slootkanten. Ook oude konijnen- en vossenholen worden wel gekraakt. En als er echt niets anders opzit kan de bunzing met zijn klauwen met niet-intrekbare nagels ook zelf een hol graven.

Gezien zijn kieskeurigheid qua leefomgeving, is het niet verwonderlijk dat de bunzing wijd verspreid is over Europa. Behalve in het noorden van Scandinavië, en op Ierland, IJsland en de eilanden in de Middellandse Zee komt hij voor in Europa tot aan de Oeral.

 

Gedrag en sporen

Opvallend is dat de bunzing een stinkdier kan nadoen. Hij gebruikt zijn anaalklieren namelijk niet alleen om geurmerken uit te zetten, d.m.v. het besproeien van opvallende plaatsen in zijn territorium (hetzelfde wat honden ook doen, het zogenaamde markeren), maar ook als verdedigingswapen. Wordt hij bedreigd, dan spuit de bunzing, net als het stinkdier een straal bijtend en stinkend vocht naar de aanvaller. Deze straal komt uit dezelfde anaalklier en kan wel 50cm ver reiken. Voorwaar een prachtig st(r)aaltje verdedigingstechniek.

Verder zijn er nog een aantal dingen, waardoor men kan zien of er ergens een bunzing in de buurt zit. Zo heeft hij typische keutels, die uitlopen in een soort touwtje (zie bijvoorbeeld p.162  van Tirion’s Diersporengids).

Ook kan men in zijn gebied plaatsen aantreffen waar half of gedeeltelijk verteerde kikkers en salamanders liggen. Deze door het maagzuur van de bunzing aangetaste dieren zijn door hem weer uitgebraakt. Dat deze amfibieën hem niet altijd goed bij de bunzing op de maag vallen heeft als reden dat sommige gifklieren bezitten.

 

Het Sterrenschot

Nu had ik vier boeken geraadpleegd en daarmee veel over de bunzing gelezen, maar ik was nog niets wijzer over de oorzaak of veroorzaker van het sterrenschot. Gelukkig bracht Rob Lindeboom uitkomst. Toen ik hem vroeg of hij er ooit van gehoord had, zei hij dat in de laatste RAVON  het toevallig ter sprake kwam.

Natuurlijk mocht ik dit tijdschrift van `Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland` van hem lenen.

Hieruit bleek dat de bunzing niet de enige veroorzaker is van dit fenomeen. Ook een Amerikaanse nerts, blauwe reiger of buizerd kunnen sterrenschot produceren. Niet uitgesloten wordt dat ook nog andere predatoren, zoals de vos, dit kunnen.

Het sterrenschot, en daarmee komen we bij de clou van dit verhaal, bestaat uit resten van amfibieën. Bij het eten van een vrouwelijke kikker of pad kan het gebeuren dat de gelatineuze delen van de eiklomp of eisnoer in het spijsverteringskanaal van de eter opzwellen en dat deze glibberige massa vervolgens door hem of haar wordt uitgespuugd. Het braaksel kan doorzichtig wit zijn, maar ook nog herkenbare zwarte eitjes bevatten.

Zelfs door de eileiders met eimassa uit te sparen bij de consumptie kan sterrenschot ontstaan en door  bijvoorbeeld regen uitgroeien tot vuistgrote klompen.

Dat aan het eind blijkt dat de bunzing niet de enige is, die sterrenschot produceert is wel jammer. Door deze foute aanname hebben u en ik echter wel wat op kunnen steken over deze nachtelijke jager.

 

Geraadpleegde werken :

-Tirion`s Diersporengids.

-Elsevier`s Grote Dierenencyclopedie in kleuren.

-Ravon 8, jaargang 3  nummer 2  (p.27/28).

-KNNV Atlas van de Nederlandse Zoogdieren.

-Thieme`s  Zoogdierengids in kleur.

-SJN  Jachtcursusboek.

 

 Eerder verschenen in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in de herfst van 2000.

 

 

 

De moderne melkkoe 

 

Sommige mensen, die weten dat ik van origine een boerenzoon ben, vragen mij wel eens of ik  ook niet boer had willen worden. Dat ik niet direct nee zeg, hangt samen met mijn romantische kijk op het boer zijn, wat is ontstaan in de jaren zeventig toen ik jong was en af en toe meehielp op de boerderij. Toen was boeren weliswaar een zwaar maar ook een mooi beroep. Alhoewel ook toen al de modernisering van het boerenbedrijf in volle gang was, had het nog de charme van vroeger.

Zo was mijn vader in die tijd een middelgrote boer met zo`n  20 koeien en 2 schuren met kippen. De koeien kende mijn vader allemaal bij naam en sommige had hij al generaties lang op zijn boerderij, van dochter op dochter. Daarbij deden we het hooien nog zelf en als de pakken hooi op de wagen geladen waren, dan reden we langzaam naar huis en mochten wij als kinderen bovenop zitten. Zo`n boerderij had ik nog wel willen hebben.

De modernisering en intensivering van de landbouw gingen echter door. De boerderijen werden groter en met haar de machines. Kleine of gemengde bedrijven waren niet meer rendabel. Zij verdwenen of werden gedwongen te specialiseren en mee te gaan met de eisen van de moderne tijd. De boer werd ondernemer. En ondernemer heb ik nooit willen worden.

(Voor wie precies wil weten hoe de ontwikkeling van de landbouw en het platteland de laatste honderd jaar is gegaan: Lees het boek “Hoe God verdween uit Jorwerd” van Geert Mak, een absolute aanrader.)

 

Het Friese stamboekvee  

Met de specialisatie van de landbouw moest ook de koe mee in de vaart der volkeren.

Dacht de Nederlandse boer in diezelfde jaren zeventig nog dat het Friese stamboekvee het beste melkvee ter wereld was, een vergelijkend Europees onderzoek in die tijd wees uit dat zij één van de minst melkgevende koeiensoorten was. Op zich ook weer niet zo verwonderlijk gezien het feit dat zij een ‘allroundster’ was. Zij was zowel een melkkoe als een vleeskoe.

Met de specialisatie in de veehouderij ontstonden er ook hogere eisen aan de melkproductie. Dit betekende het einde van de Friese stamboekkoe als melkkoe. En ook als vleeskoe had zij veel betere, buitenlandse concurrenten.

 

Holstein-Friesian

Haar vervangster kwam weliswaar helemaal uit de Verenigde Staten, maar had dezelfde voorouder : het zwartbonte Fries-Hollandse vee. Deze was eind 19e eeuw naar Amerika gehaald (deels ook via Holstein, Duitsland vandaar de naam) en werd daar door veredeling gemaakt tot een super melkkoe: de Holstein-Friesian.

En niet alleen gaven deze koeien veel meer melk, veel boeren vonden het om te zien ook een hele mooie koe: een grote koe met strakke ronde uiers, die niet hingen en een goed potengestel, waardoor ze ook beter geschikt was voor de moderne ligboxenstal.

Natuurlijk konden de boeren niet in één keer hun hele veestapel vervangen. Dat zou veel te kostbaar zijn geweest. Gelukkig bestond voor hen de KI, de Kunstmatige Inseminatie.

Door deze techniek was het mogelijk om hun hele veestapel te bevruchten met de beste Holstein-Friesian stier van dat moment: Sunny Boy. Hij was de stier met de beste papieren en de beste cijfers. Zijn dochters gaven de meeste melk, met het meeste eiwit en het meeste vet. Met behulp van de KI-medewerkers heeft hij in de jaren tachtig een groot deel van de toenmalige Nederlandse veestapel bevrucht. Over een genetisch succesvol leven gesproken.

Zo ontstond de hedendaagse moderne melkkoe. Een koe die per jaar zo`n 10.000 liter melk geeft ( dat is gemiddeld  meer dan 30 liter per dag !!) met een hoog eiwitgehalte en veel vet.

 

Positieve en negatieve gevolgen van de modernisering.

Allereerst moet gezegd worden dat de boer geen blaam treft. Het Nederlandse en Europese beleid van na de oorlog was er op gericht om zowel veel te produceren (er mocht nooit meer een tekort aan voedsel ontstaan) als ook goedkoop. Daarom werden melk en graan gesubsidieerd. Met alle bekende gevolgen van dien. Enorme overschotten (de beruchte melkplas en boterberg) en grootschalige bedrijven. Symbool voor dit beleid stond Sicco Mansholt, beroemd minister en Europees commissaris van de landbouw.

Vaak hebben boeren toch het gevoel dat zij in het verdomhoekje zitten.

Enerzijds heeft de maatschappij hen gedwongen groter te worden en te specialiseren. Daaraan hebben zij netjes voldaan. De Nederlandse veehouder mag zich de beste noemen van Europa. Nergens wordt het voedsel zo goed en zo goedkoop geproduceerd.

Anderzijds is het, nu ze groot zijn ook weer niet goed. Ze vervuilen teveel door hun mestuitstoot. Door hun ruilverkaveling is het landschap bedorven. Door het lagere waterpeil, noodzakelijk voor effectief boeren, verdroogt de natuur en door hun intensiviteit dreigen veel diersoorten, waaronder de weidevogels te verdwijnen. Ze hebben het gevoel dat ze het nooit goed doen.Terwijl dit alles het gevolg is van maatschappelijk ontwikkelingen, en het dus een maatschappelijk probleem is: Een probleem van ons allemaal.

 

Kort leven

De koe heeft te lijden onder al deze ontwikkelingen. Hij is door het eiwitrijke voedsel permanent aan de diaree en door zijn hoge melkproductie na 4,5 jaar al uitgemolken ! Werd een koe vroeger nog 10 tot 14 jaar, nu is dit dus met meer dan de helft gereduceerd !!

Ook komt hij steeds minder buiten. 15% van alle koeien komt helemaal al niet meer in de wei.

Op stal is zijn voedselopname en mestuitstoot nu eenmaal beter te controleren.

En velen zal het niet meer opvallen, maar vroeger hadden koeien ook hoorns. Weliswaar korte, maar toch. Gevolg van de huisvesting. In de moderne stallen kan de koe vrij rondlopen en omdat er vrij regelmatig weer jonge koeien bij komen, vinden er ook vrij veel rangorde gevechten plaats. Met hoorns zou dit teveel schade berokkenen.

Voor de liefhebber: in Noordwolde net ten Noorden van de stad is er nog een boer, boer Oosterhuis, die zijn koeien niet onthoornd heeft.

Als wij allemaal een dubbeltje per liter meer willen betalen voor de melk zou dit in het leven van ons rund veel uitmaken. In de minder intensieve biologische landbouw is zij niet alleen gezonder, maar ook kan zij daar nog oud worden. Daar is haar leven minder gejaagd.

Daar wordt ook geen kunstmest gebruikt waardoor er minder verrijking en vermesting van het land ontstaat, waardoor er weer minder planten verdwijnen die alleen op arme grond voorkomen. Kortom: drinkt biologische melk. Doe het voor de koe.

 

Soorten en rassen

Tot slot heeft een vrouw, haar naam is Marleen Felius, 25 jaar onderzoek gedaan naar de verschillende koeienrassen die er op de wereld bestaan. In 1995 verscheen er van haar hand  een boek over dit levenswerk. Naast de bekende Nederlandse soorten, als de Groninger blaarkop, het roodbonte Maas-Rijn-IJsselvee en de Lakenvelder en beroemde buitenlandse rassen als de Amerikaanse longhorn uit Texas, de yak uit Tibet of de masai uit Kenia, beschrijft zij hierin bijna 900 soorten runderen, die ze in de loop van die 25 jaar is tegengekomen en die ze allemaal in aquarellen heeft vastgelegd. Meer dan de moeite waard.

 

Dit verhaal is eerder verschenen in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in de zomer van 2002.

 

 

De Haas, van steppebewoner tot cultuurvolger

 

Er zijn mensen, die vinden het Groningse landschap saai. Veel weilanden, naar de kust toe op het Hoge Land de graanakkers en in de voormalige veenkoloniën de aardappelvelden.

Voor hen is de provincie Groningen één grote eentonige vlakte, enkel en alleen doorkruist door rechte wegen en kanalen. Bijna nergens is een bos, bossage of een meanderend riviertje of stroompje dat die eentonigheid doorbreekt. Saaiheid troef dus. 

Nu ben ik zelf in de provincie Drenthe opgegroeid. Hier vindt men juist volop afwisseling. Bos, heide, zand, weiden, akkers, stroompjes en kanalen, van alles wat.

Toch ben ik, naarmate ik langer in Groningen woon, het weidse landschap van deze provincie steeds meer gaan waarderen. De uitgestrektheid van de vlakte levert namelijk geweldige vergezichten op. Wuivend graan zover het oog kan zien in de stralende zon, of de ruime groene graslanden onder een strak blauwe lucht. Het doet soms bijna onwerkelijk en surrealistisch aan.

Eén van de meest bij deze provincie passende bewoners is de haas (Lepus europaeus).

Van oorsprong een steppebewoner heeft hij zich over heel Europa verspreid sinds de mens is begonnen met landbouw en overal gronden in cultuur heeft gebracht. De haas voelt zich inmiddels prima thuis op deze ‘cultuursteppen’ , zolang de weiden en akkers maar geen al te hoge begroeiing hebben.

 

Rammelen

De winter is daarbij de beste tijd om een haas in het vizier te krijgen. Aan de ene kant omdat dan alles kaal is en er niets meer op het land staat. Aan de andere kant ook omdat juist midden in de winter de ‘rammeltijd’ begint.

In deze periode, die al begint in december en pas eindigt in augustus, zijn het de rammelaars, de mannetjeshazen, die flink met elkaar op de vuist gaan om de vrouwtjes, de moeren te kunnen bemachtigen. Hierbij staan ze op de achterpoten en slaan ze elkaar met de nagels van de voorpoten plukken haar uit de vacht. Ook lange achtervolgingen van meerdere rammelaars achter één moer aan behoren bij de veroveringsrituelen.

Het leuke is dat dan de hazen geen enkel oog meer schijnen te hebben voor hun omgeving, waardoor ze veel dichter bij mensen in de buurt komen dan anders en veel makkelijker kunnen worden geobserveerd.

De haas behoort samen met het konijn tot de orde der haasachtigen en dus niet tot de orde der knaagdieren. Hazen en konijnen zijn geen dus knaagdieren. Dit is onder meer te zien doordat zij nooit tijdens het eten met hun voorpoten voedsel vasthouden en aan de dubbele bovenste snijtanden in hun gebit. Aan bijtsporen is dit vaak mooi te zien: vier kleine streepjes boven aan en twee bredere aan de onderkant (de onderste snijtanden zijn niet dubbel). 

 

Uiterlijk:

Lengte ca. 60 cm. Gewicht van een volwassen dier: 3,5  tot 5,5 kg. Kleur van de 3 cm dikke vacht is geelbruin met lichte en donkere variaties. Buik en onderkant van de staart zijn lichter. Opvallend zijn naast de lange achterpoten en de lange oren (ook wel lepels genoemd) met aan de top een zwart randje, ook de bolle ogen. Hiermee bezit de haas een blikveld van 360 graden. Oftewel hij ziet alles om zich heen. Voor, achter en opzij.

 

Voedsel:

De haas is een echte vegetariër. Grassen, kruiden, twijgen, bessen, paddestoelen, boomvruchten, graankorrels en bodemvruchten staan op zijn menukaart. Een ietwat vreemde eetgewoonte van de haas is dat hij zijn eigen ‘groene’ keutels opeet. Dit schijnt voor hem noodzakelijk te zijn om genoeg vitamine B12 binnen te krijgen. Na dit proces, ook wel Coprofagie genoemd, legt de haas zwartere keutels, die hij wel met rust laat.

 

Gedrag en leefwijze:

Hazen krijgen al in januari jongen. Over een jaar heen werpt een moerhaas in 3 à 4 keer gemiddeld zo’n 11 jongen. De jongen zijn nestvlieders, ze worden geboren met hun ogen open en zijn vrijwel direct in staat om zich te verplaatsen. De moer zoogt de jongen gedurende 30 dagen. Dit gebeurt steevast een half uur na zonsondergang op de geboorteplaats van de jongen, die zich daar ook tegen die tijd verzamelen. Vanwege risicospreiding liggen de jongen overdag nooit samen, zodat er nooit een heel nestje tegelijk kan worden gepredateerd.

En daar is nogal wat kans op gezien het sterftecijfer van jonge hazen in hun eerste levensmaand, zijnde 50% !! Geen wonder dat het weer bij elkaar komen van de jongen aan het begin van de avond ook wel het appel der overlevenden wordt genoemd.

Een haas kan 7 tot 13 jaar oud worden.

 

Bedreigingen:

Hazen kennen vele vijanden. Middelgrote roofdieren als de vos en bunzing. Een aantal roofvogels, o.a de havik en de buizerd. Kraaien en ook verwilderde katten. Door landbouwwerkzaamheden als maaien en hooien sneuvelen elk jaar ook jonge hazen.

En tenslotte is het een soort die ook door de mens nog eens wordt bejaagd.

De haas heeft als verdediging alleen zijn zintuigen, de reuk en het zicht, zijn snelheid, en zijn camouflagekleuren als hij zich dekt in zijn leger, zijn slaap en rustplaats.

Tegen de grootste bedreiging kan hij zich echter niet wapenen, en dat is verlies van zijn biotoop. De bebouwing rukt op, de intensieve landbouw wordt nog steeds intensiever en voor de rest lijkt vaak wat over blijft ook nog aangeharkt. Hierdoor verdwijnen nog meer ruigtes voor de dekking, en nog meer onkruiden als voedsel. Momenteel is het nog geen bedreigde soort. Hopelijk wordt het dat ook nooit, en kunnen we dit in zo ontelbaar veel gezegdes getypeerde zoogdier nog vaak op een mooie winterse dag bewonderen in ons prachtige Groningse landschap.

 

Dit verhaal verscheen eerder in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in de winter van 2002.

 

 

De eekhoorn en zijn winterrust

 

Wie herkent niet het volgende gevoel:  Het is diep in het najaar. De nazomer is reeds lang geschiedenis en de dagen zijn al weer flink korter. Je bent nog gewend aan de warme temperaturen, maar de thermometer geeft aan dat het buiten toch aardig fris aan het worden is, alleen lijk je er maar niet aan te kunnen wennen. Alles voelt dan ook koud aan. Bovendien regent het al een aantal dagen achtereen, is de lucht asgrauw evenals het aanzien van de wereld en voel je de vermoeidheid van het hele jaar op je schouders drukken.

Het liefst zou je op zo`n moment het bed in willen duiken. De stekker uit de telefoon. Gordijnen voor de ramen en de deurbel uit. De dekens over het hoofd en er de komende week voor niets of niemand uitkomen. Gewoon even doen of de wereld niet bestaat.

Er zijn een aantal (bevoorrechte ?) dieren die dit voornemen daadwerkelijk uitvoeren.

De eekhoorn is één van hen. In het najaar is deze gast druk in de weer om zijn voorraad zaden, noten en eikels op peil te krijgen, om daarna met een gerust hart bij slecht weer ‘onder de dekens’ te kruipen, wetende dat wanneer hij wakker wordt er genoeg te eten is om de ergste honger te bestrijden.

 

Voedselvoorraad

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de egel houdt de eekhoorn echter geen winterslaap. Komt de egel van oktober tot april sowieso zijn nest niet meer uit, de eekhoorn blijft in principe actief in de winter maar gaat, als het hem even te bar wordt, naar zijn nest om daar een paar dagen te rusten en te slapen. Hierbij gaat zijn stofwisseling en hartslag in een normaal tempo door, terwijl bij de echte winterslapers beiden flink zakken, zodat ze in één ruk door kunnen slapen naar het voorjaar. De eekhoorn kan/doet dit dus niet. Daarom is hij ook genoodzaakt grote voedselvoorraden aan te leggen, omdat hij door zijn normale stofwisseling veel meer energie verbruikt en hij dus gedurende de winter meerdere keren bij moet tanken.

Door zijn goede reukvermogen vindt hij zijn zelf aangelegde voorraden weer, maar een groot deel van zijn ‘voorraadkasten’ wordt door hem vergeten en daarmee zorgt hij, net zoals de vlaamse gaai, voor de verspreiding van allerlei zaden.

 

Uiterlijk

De eekhoorn, Sciurus vulgaris behorende tot de orde der knaagdieren, is een dier met een hoog knuffelgehalte. Eigenlijk is het verbazingwekkend dat dit zoogdier zo weinig wordt gebruikt door de diverse natuurverenigingen om reclame te maken voor goed natuurbeleid. Met zijn grote, donkere ogen, zijn prachtige oorpluimen, die overigens verdwijnen bij de voorjaarsrui en pas het volgende najaar weer zijn aangegroeid, zijn wonderschone vacht, in kleur variërend van rood tot bijna zwart, en niet te vergeten zijn enorme pluimstaart, waarmee hij in staat is hoog in de bomen beter te balanceren, brengt hij ieder kind en menig volwassene in extase. Ook ik onderga elke keer weer een soort warme douche wanneer een eekhoorn mijn pad kruist. Op de een of andere manier draagt het dier een sfeer van liefelijkheid en onschuld om zich heen.

 

Voedsel/ Biotoop

Zeker niet alle vogels zullen het in dit opzicht met mij eens zijn. Want dat zijn eten alleen uit plantaardig voedsel bestaat, zoals bessen, boomzaden, boombast, noten, paddestoelen, knoppen en jonge loten is zeker niet waar. In het voorjaar staan er naast dit alles namelijk ook jonge vogels op zijn menu. Ook een ei, een vette rups of andere insecten laat de eekhoorn niet aan zich voorbij gaan.

Natuurlijk kan deze acrobaat alleen in een omgeving overleven waarin dit voedsel in voldoende mate aanwezig is. Leeft hij normaliter het liefst in naald- of gemengd bos, belangrijker is dat dit bos van zo’n leeftijd is, dat de meeste bomen vrucht dragen en zaad zetten. Bij beuken en eiken is dit bijvoorbeeld pas na respectievelijk 80 en 40 jaar.

 

Leefwijze

De eekhoorn maakt zijn nest altijd op de plaats waar een tak de stam van de boom verlaat, ook wel een vork genoemd. Een onderscheid met vogelnesten is dat de ingang van een eekhoornnest altijd aan de onderkant zit. Verder is het nest zelf gemaakt van losse twijgen, bekleed met repen bast, gras, wol en mos. Soms heeft een eekhoorn meerdere (reserve)nesten.

De grootste tijd van het jaar leeft deze roodharige solitair, waarbij elk dier zijn eigen territorium heeft, behalve in de winter en in het diepe voorjaar. In deze tijd van voortplanting en brons worden de nesten ook gemeenschappelijk gebruikt. Het eekhoornvrouwtje werpt per jaar twee keer. De eerste maal rond april met de bronstijd half februari en de tweede maal in de maand augustus met de bronstijd half juni. De draagtijd bedraagt zo’n 40 dagen en de jongen, tussen de 2 en de 5,  worden na een zoogtijd van 10 weken al na 3 maanden door mama het huis uitgezet en moeten ze op eigen benen kunnen staan.

 

Verspreiding en bedreigingen

Dat de eekhoorn een geweldige klimmer is met zijn scherpe en sterk gekromde nagels behoeft verder geen commentaar. Er zijn er maar enkelen die dit beter kunnen. De boommarter is er hier één van. Daarmee is meteen een van de belangrijkste vijanden dit zoogdier genoemd. Een andere is de havik, die met name nog wel eens een jong exemplaar wil grijpen. Verder heeft in Engeland de introductie de uit Noord Amerika stammende grijze eekhoorn (sciurus carolinensis) nogal grote gevolgen gehad voor de inheemse populatie van de rode eekhoorn. Deze is daardoor uit een groot deel van zijn oorspronkelijk leefgebied verdrongen. In Nederland speelt dit probleem gelukkig (nog) niet. Verlies van biotoop is echter de grootste bedreiging en daarmee is de mens als zovaak de grootste vijand van de dieren.

Rust

Of de egel met zijn winterslaap en de eekhoorn met zijn winterrust echt bevoorrecht zijn, wanneer ze met de eerste beste vorst hun nest opzoeken is maar de vraag.

Natuurlijk missen ze op deze manier ook veel moois, net zoals iemand die de hele winter maar voor de kachel zit te zuurpruimen hoe koud het wel niet is.

De vele fantastische zonondergangen zijn in de winter niet op de vingers van 1 hand te tellen. Of het landschap dat zich in deze tijd in al zijn naaktheid laat bewonderen, evenals de bomen die schaamteloos al hun prachtige vormen laten zien. Soms met een prachtige, maagdelijke laag van sneeuw bedekt. Zelfs een sterke najaarsstorm heeft zijn eigen charme. De ruigheid, waarvoor menigeen zelfs speciaal een huisje huurt op één van de eilanden, om eens lekker uit te waaien.

Wie zou er dan nog in bed willen blijven.

 

Geraadpleegde literatuur:

Thieme : Zoogdierengids in Kleur.

KNNV : Zoogdieren van West-Europa

 

Dit verhaal verscheen eerder in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren. in de winter van 2003.

 

 

 

De zeelt, soms heb je geluk en soms heb je pech.

 

Het bovenstaande is misschien een wat simpele samenvatting van het leven maar desalniettemin vaak niet minder waar.

Zo zou een goede vriend van mij samen met zijn vrouw en kind drie jaar gaan wonen en werken op het eiland St. Maarten in de Cariben. Iets mooiers kon ik mij eigenlijk niet voorstellen. Een heerlijk constante temperatuur van rond de dertig graden, witte stranden met palmbomen, een prachtige natuur en een heerlijke instelling samen te vatten in het mooie ‘waarom zou je vandaag doen, wat morgen ook nog kan’.

Maar ja, het werk viel tegen, de zwangere vriendin hield het niet vol, het was toch warmer dan gedacht en zo was de goede vriend binnen een half jaar weer terug in het koude Nederland. Pech voor hem, maar ook voor mij.

Mijn pech zat hem in het feit dat er een prachtige reis door mijn neus werd geboord.

Niets meer van een goedkoop logeeradres op een tropisch eiland. Niets meer van het zien van vreemde soorten vogels, planten en reptielen. Geen tropische feesten meer met dansende, wulpse vrouwen en rum drinkende mannen. Niets meer van een betaalbare ontdekkingsreis naar de mooie riffen van deze eilanden. Terwijl ik me met name op dit laatste zo enorm had verheugd. Ik zag het al voor mij: met een snorkel en een duikbril op zoek naar deze wondere wereld van wonderschoon koraal met de meest bijzondere vissen en andersoortig onderwaterleven.

Gelukkig bestaan er in Nederland ook mooie vissen. Het is weliswaar een schrale troost en slechts een kleine pleister op de wonde, maar toch.

En gelukkig krijg ik dankzij mijn beroep regelmatig verschillende soorten van onze inheemse vissen te zien, doordat ze af en toe in één van mijn muskusrattenfuiken terecht komen. Deze fuiken zijn inmiddels zo aangepast dat het nog maar zelden voorkomt dat de vis er dood in wordt aangetroffen. Zo komt het dus vaak voor dat ik een vis weer terug mag zetten in het water. Dit is prachtig om te doen. Eerst de vis voorzichtig uit de fuik halen. Opvallend hierbij is dat de meeste soorten nauwelijks spartelen. Dan langzaam met de handen, verpakt in handschoenen, de vis geheel laten zakken in het water. Eenmaal zich bewust van de herkregen vrijheid zwemt daarna de vis traag weg uit de ondersteunende handen, waarna ze langzaam uit het zicht verdwijnt in de diepte van de sloot of tocht.

De vis die hierbij op mij de meeste indruk maakt is de zeelt (tinca tinca), of in het Gronings de ‘Slei’. Dit lid van de familie der karpers (Cyprinidae) is dat om een paar uiteenlopende redenen.

 

Uiterlijk.

Deze vis heeft een unieke kleur. Van een diep groen tot een goudkleurig soort bruin, voorzien van een metallieke glans, waardoor de zeelt soms een veelkleurige indruk achterlaat. Opmerkelijk zijn de schubben van dit beest. Deze zijn zo klein dat ze met het blote oog nauwelijks zijn te zien en zijn ze bedekt met een dikke slijmhuid. Van deze slijmlaag wordt wel beweerd dat zij een helende werking bezit. In aquaria was vroeger dikwijls te zien dat andere vissen wier huid beschadigd was met hun flank langs die van de zeelt schuurden. Het overgedragen slijm scheen hen te beschermen tegen allerhande parasieten en schimmels. Ook schijnen zeelten bloedzuigers te verwijderen van andere vissen, hetgeen aanleiding is voor de nog plaatselijk gebruikte bijnaam: Doktersvis.

Verder is de zeelt zeer robuust van vorm. Een brede staartvin met dito brede staart en donkerkleurige, haast vierkante vinnen. Ze kan een lengte bereiken van ± 50 cm en een gewicht van 5 kg. Mooi detail tenslotte zijn de twee baarddraden aan de mondhoeken.

 

Leefplaats en voedsel

Deze vis is bij uitstek een bewoner van modderige bodems van stilstaande of traag stromende wateren. Hierbij houdt zij zich het liefst op in dichte begroeiing. Haar voedsel bestaat uit insectenlarven, slakken, kreeftachtigen en sporadisch wat planten.

Tenslotte graaft zich ’s winters bij lage temperaturen in de modder in en houdt dan een pseudo-winterslaap vaak met meerdere exemplaren bij elkaar.

Mede vanwege haar kleur en vanwege haar rustige gedrag wordt zij door haar vijanden, onder andere de snoek en de aalscholver, nauwelijks opgemerkt en ontloopt zij regelmatig de dans. Gelukkig is deze mooie vis dan ook niet zeldzaam.

Natuurlijk gebeurt het wel eens dat door bepaalde omstandigheden zoals een te hoge watertemperatuur of het schonen van een sloot er nog nauwelijks zuurstof in het water aanwezig is. Op deze momenten tref ik wel eens een dode zeelt, terwijl zij toch een sterke vis is, in één van mijn fuiken aan.

Dan geldt ook voor de zeelt: Soms heeft ze geluk en soms heeft ze pech.

 

Dit verhaal verscheen eerder in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in de herfst van 2003.

 

 

De Snoek

 

Een fervent visser ben ik nooit geweest. Vroeger in mijn jeugd heb ik sporadisch geprobeerd enkele voorntjes of palingen te vangen met hengel, draad, dobber, loodjes en die vreselijke haken. Die laatste waren ook de reden om er uiteindelijk mee te stoppen. Al die visjes met de te diep zittende haakjes achter in hun keel. Wat een ellende. Nee, al gauw kwam ik erachter dat het een vrij nutteloze en kwellende bezigheid was, en ontdekte ik leukere manieren om in de buitenlucht mijn tijd door te brengen.

Toch heb ik in die tijd ooit een snoek ( Esox lucius) gevangen, hoewel ik daar nooit op viste. En niet met een hengel, maar met een emmer. Wat ik verder met die emmer aan het doen was, of waarvoor ik deze nodig had is mij niet meer bijgebleven. Wel dat het snoekje, het mat een centimeter of tien, al heel mooi getekend was. Het zag er al precies uit als een grote volwassen snoek, alleen in mini formaat.

Nu ik sinds een aantal jaren muskusratten vang, kom ik deze jagers van de onze zoete wateren vaker tegen. Vooral in het voorjaar, tussen februari en mei, wanneer de snoeken hun paaigronden opzoeken om hun eitjes af te zetten, belanden ze af en toe in één van mijn fuiken.

Soms ben ik er op tijd bij, zodat ik ze levend en vrijwel onbeschadigd terug kan zetten. Helaas gebeurt het ook dat ze verwondingen hebben opgelopen door het gaas van de fuiken en dood zijn of ten dode zijn opgeschreven. Eén van de minst leuke kanten van mijn beroep.

De laatste keer dat een snoek mijn belevingswereld binnendrong, onderwater en bovenwater blijven toch twee gescheiden werelden, was toen ik door een goede kennis, bij wie ik op de koffie was, attent werd gemaakt op de tekenen van een jagende snoek.

Wat wij zagen in de brede sloot achter zijn huis was dat aan de rand van het water het onrustig golfde en een beetje kolkte. Er schoot een snoek vanuit zijn dekking richting zijn prooi. Nog geen seconde later zagen wij een klein visje opspringen uit het water. De prooi dus. Hierna was het water weer even onrustig, maar verder gebeurde er niets meer.  Misschien was de snoek succesvol geweest of misschien had hij nogmaals aangezet voor een tweede aanval. De afloop bleef ons onbekend.

 

Uiterlijk

De vrouwtjes worden groter dan de mannetjes. 1,5 meter om 1 meter !

Alle exemplaren zijn prachtig getekend, waarbij het soms lijkt of ze gevlekt en soms of ze gestreept zijn. De donkere gedeelten overheersen en variëren in kleur van donkerbruin tot donkergroen. De lichte delen zijn goudachtig geel. De buik is geelwit.

Qua vorm is de snoek nergens mee te vergelijken. Het langgerekte lichaam, z`n typische snavelachtige bek zijn beide uniek in de Nederlandse wateren.

Ook de positie van zijn rugvin is opvallend. Die zit zover naar achteren, dat hij deze, in plaats van alleen als roer, mede lijkt te gebruiken om snelheid mee te maken, samen met zijn staart- en aarsvin. Deze drie vinnen zijn ook gevlekt. De borst- en buikvin, die worden aangewend om roerloos in het water te liggen, te peddelen, zijn dat niet.

 

Biotoop

De snoek houdt van visrijk helder zoet water met veel dekking en dus veel waterplanten., wat niet te hard stroomt (niet harder dan 0.25 m/s). Hier komt zijn jachttechniek optimaal tot zijn recht. Van tussen de waterplanten, waar hij hoopt ongezien te blijven, kan hij alle prooidieren voorbij zien gaan, en kan op een geschikt moment of bij een geschikte prooi bliksemssnel toeslaan. Hierbij grijpt hij het slachtoffer van opzij beet, en slikt het dan met de kop eerst naar binnen.

Voor de jonge snoeken is een goede begroeiing ook als schuilplaats van belang. Om zodoende ongezien te kunnen blijven voor hun vijand nummer één: grotere soortgenoten.

Echt kieskeurig qua leefgebied is hij echter niet, gezien het feit dat hij toch bijna in geen enkel water in Nederland ontbreekt.

De paaigronden moeten overigens wel aan een aantal minimum eisen voldoen. Zo moet het er niet te diep zijn, van zo`n 15 cm tot maximaal 1 meter. Ook moeten er afzetmogelijkheden voor de eitjes zijn, waarvan het vrouwtje afhankelijk van haar grootte er wel 300.000 kan produceren. Voornamelijk dichtbegroeide plaatsen komen hiervoor in aanmerking, zodat de kleverige eitjes goed blijven plakken aan de vele waterplanten. Tussen de tien en de dertig dagen komen deze eitjes uit. Dit hangt nauw samen met de temperatuur van het water. Na een jaar kan een snoek al 25 cm meten. Tegen die lengte is hij ook ongeveer geslachtsrijp. Bij haar duurt het enkele centimeters langer. Zij is pas rond haar 35/40 cm geschikt om nakomelingen te produceren.

 

Voedsel

Vanaf een lengte van ±10 cm eet een snoek voor 80% vis met af en toe een kikker en sporadisch een jonge watervogel of een klein zoogdier. Tot die lengte bestaat zijn menu vooral uit mosselkreeftjes, watervlooien, roeipootkreeftjes en insectenlarven.

Is een prooi overigens eenmaal gevangen, dan blijft deze, wegens de naar achteren gebogen tanden ook gevangen. De grootste gulzigaards onder de snoeken, die een prooi uitzochten die net even te groot was voor hen en net niet te behappen, zijn zo door verstikking om het leven gekomen. Uitspuwen was voor hen niet meer mogelijk.

En dan wordt er gezegd en geschreven dat onze snoek qua voedsel niet kieskeurig is. Alsof zijn leven er niet vanaf zou hangen….

 

Geraadpleegde literatuur:

-Tirion, Zoetwatervissen van Europa

-Henrik W. de Nie, Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen

 

Voor het eerst verschenen in de Groeningen, een uitgave van het IVN Groningen/Haren, in de zomer van 2001.

Ogentroost & Liefdegras | Gert Jan Huiskes

105508 bezoekers (115019 hits) sinds 3-8-2009